Augustus is in Frankrijk een zwart gat. Er gebeurt niets, alles is dicht en niemand is bereikbaar. Voor mijn man is augustus gewoon een normale zomermaand. Hij begrijpt niet dat de bakker gesloten is, dat de man die bij ons een airconditioning zou komen installeren niet komt opdagen en dat zelfs de déchèterie, het Franse afvalbrengstation, gesloten is.
Mijn man wilde nota bene op vrijdag 14 augustus de afgeknipte takken van de cipressen naar de déchèterie brengen. Ik had hem gezegd dat dit de dag vóór de Assomption was, de belangrijkste feestdag van de zomer. In ons huis heeft mijn man alle schilderijen aan de muur gehangen. Niets hangt scheef of wiebelt. Elk gat is nauwkeurig geboord. Maar van augustus en de Assomption begrijpt mijn man helemaal niets. Een zwart gat is niet zijn wereld. Natuurlijk is de déchèterie gesloten. De afgeknipte ciprestakken worden weer uitgeladen. Ik zeg: „Dat heb ik je toch meteen gezegd.” Ik weet dat zulke zinnen vergif zijn, maar deze keer kon het echt niet anders.
Op de middag van 14 augustus komt Olivier, onze loodgieter, even langs. Mijn man is dolblij. Hij zegt dat Olivier hem misschien kan helpen een slang in onze put te laten zakken. Hij wil precies weten hoeveel grondwater er nog in de put zit. Olivier denkt dat hij het niet goed heeft verstaan.
„Quoi? Ik moet vandaag iets doen?”
Nee, nee. Hij kwam eigenlijk alleen even „bonjour” zeggen en ons een fijne vakantie wensen. Tot eind augustus zal hij niets aanraken. In ieder geval niets wat ook maar enigszins op werken lijkt.
Ik zeg: „Dat heb ik je toch meteen gezegd.”
Oké. Mijn man heeft het eindelijk begrepen. Wij moeten nu ook vakantie houden, want er komt voorlopig toch niemand om in ons huis te werken. We pakken onze spullen en rijden naar ons appartement in de buurt van Nice. Het is heet. Het is vochtig. Maar we hebben airconditioning!
We gaan zwemmen, bij voorkeur bij het hondenstrand, want ons kleine hondje Pastis is dol op zwemmen. Helaas kunnen de Oost-Europeanen het bordje plage canine blijkbaar niet lezen. Ze liggen er in groten getale, terwijl ze honden lijken te haten. Elke dag heb ik ruzie met een Russische oppas die Pastis niet kan uitstaan. Het kleine meisje op wie ze past, wil graag met Pastis spelen, maar de oppas gooit stenen naar mijn hond. Alle Fransen om mij heen zijn verontwaardigd en zouden het liefst zelf stenen naar de oppas gooien.
Ik geef het op en ga naar een ander strand. Eigenlijk zijn honden daar verboden, maar veel Fransen hebben toch hun hond meegenomen. Ik zie het al: dit wordt een geweldige zomer. Gelukkig zijn er geen kwallen. Het zeewater is 29 graden en voelt aan als een thermaalbad. Buiten is het 38 graden, binnen 29. Met verkoeling heeft dat allemaal weinig meer te maken.
Vrienden bellen. Of we niet eens samen thee willen drinken bij het Maybourne Riviera? Het hotel is een enorme glazen doos die op een rots boven Monaco lijkt te zweven. Goed idee. Voor 45 euro krijg je een klein taartje en een pot thee. Daar staat dan wel een spectaculair uitzicht tegenover. Mijn vriendin en ik constateren dat wij die middag de enige vrouwelijke wezens zijn die niet in de escortbranche werken. Het wordt een opwindende middag: beneden de blauwe zee, boven de vrouwen die kennelijk te koop zijn.
We bewonderen alles. Ook het geduld van de obers. Een van hen heeft zich zelfs over onze oude Yeti ontfermd. Valet parking heet dat tegenwoordig. Gelukkig ligt niet meer de halve cipres in de kofferbak.
Na een week aan zee rijden we terug naar de Provence. Mijn man hoopt op Fransen die inmiddels weer volop aan het werk zijn, want het is tenslotte al 25 augustus. We willen naar een bouwbedrijf in Nyons. Zij moeten onze schuur verbouwen. Niemand neemt de telefoon op. Aan het hek hangt een bord:
Nous sommes en vacances.
Gelukkig is nu augustus voorbij.



