Januari is saai in de Provence. Ons dorp zakt weg in een diepe winterslaap; alleen de rokende schoorstenen laten zien dat er nog mensen wonen. Maar er zijn twee society-hoogtepunten: de nieuwjaarsreceptie van de burgemeester en de truffelmenu’s in de restaurants.
De ontvangstruimte in de oude abdij is stampvol, we wachten op de burgemeester. Vooraan zitten de wijnboeren en grootgrondbezitters, daarachter de ambachtslieden met een eigen bedrijf, en daarna de gewone bevolking. Het ruikt naar rode wijn, uientaart en natte kleren. Want ook dat is de Provence deze winter: het regent pijpenstelen. Wij gaan als bescheiden gasten achterin zitten, maar onze buurman, wijnboer Coco, heeft ons al ontdekt: “Kom toch naar voren!” roept hij, “jullie horen bij ons.”
We voelen ons vereerd, want ineens zitten we tussen de grootgrondbezitters. Ons eigen perceel is maar 1200 vierkante meter groot en heeft één miezerig wijnrankje dat tegen de huisgevel omhoog probeert te klimmen – echt meepraten kunnen we hier dus niet.
Maar goed, Coco is in zijn nopjes, want vanavond wordt zijn wijn geschonken. Waarschijnlijk heeft hij er al van geproefd, want hij barst van trots: “Dit zijn mijn nieuwe buren,” zegt hij tegen zijn collega-wijnboeren, “de aardige buitenlanders die het oude huis van Émile helemaal hebben gerenoveerd.”
We krijgen meelijdende blikken. We hebben pas onlangs gehoord dat ons huis door meerdere dorpsbewoners is bezichtigd, maar niemand had zin in al dat werk. Wij zijn dus de gekken die hun geld in een vervallen dorpshuis hebben gestoken. Dat levert ons respect op. Misschien vinden ze ons ook gewoon dom, wie zal het zeggen?
De burgemeester kent ons ook; hij begroet alle inwoners met een handdruk. Zijn toespraak is kort, “want dit jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen, dan moet hij zijn mond houden,” legt Coco mij uit. We horen welke straten opnieuw zijn geasfalteerd, dat de schoolmaaltijden zijn verbeterd (“er is nu meer keuze bij het dessert”) en dat de jeu-de-boulesbaan is vernieuwd.
Als de burgemeester iedereen heeft bedankt – de brandweer, de verpleegkundige, de schooldirectrice, de huisarts – bewegen de eerste gasten zich al richting buffet. Behalve rode wijn is er vooral uientaart, patés, worstjes, zelfs gefrituurde garnalen. De tuinman is er, de loodgieter, de timmerman, buurvrouw en brandweervrouw Sophie, ook Nicolas de graafmachinist, Muriel de kleuterjuf met haar brave zoons die altijd de tuinman helpen als hij bij ons werkt. Iedereen is vrolijk en proost met ons.
Wanneer we bij stromende regen vrij laat naar huis lopen, voelen we ons zo opgewekt als na een galavoorstelling in de Scala van Milaan.
Een paar dagen later kom ik timmerman Julien tegen met zijn ruige Romagnolo-hond.
“Hoe gaat het met de deuren?” vraagt hij me. Ik leg hem uit dat de vrouw van de houthandel in Grillon nooit meer iets van zich heeft laten horen. Dat vindt hij niet netjes: “Ze is lang ziek geweest, op woensdag werkt ze niet, waarschijnlijk is ze jullie vergeten.”
Julien schaamt zich een beetje, want hij had ons die zaak aangeraden en beloofd de deuren te plaatsen. Hij rommelt in zijn zak en haalt er een grote zwarte truffel uit: “Houd je van truffels?” Hij drukt me het prachtstuk in de hand. “Die is voor jou. Mijn hond heeft hem net gevonden. Mijn vrouw haat truffels. Ze zegt dat ze ruiken als een oude doodskist op het kerkhof.” Ik ken wel een paar Duitsers die dat ook zouden zeggen. Trots ga ik met mijn buit naar huis: vanavond eten we roerei met truffel, zoveel is zeker.
Een paar dagen later komt onze zoon uit Genève op bezoek. We gaan met hem naar Richerenches, naar een beroemd truffelrestaurant, en betalen bijna 500 euro met wijnarrangement. Hij vindt dat goedkoop naar Geneefse maatstaven, is enthousiast en zegt dat dat nu eenmaal zo hoort in de Provence. Om ons heen zitten oudere Parijse bourgeois, een Zwitsers echtpaar, een paar Britten. Geen enkele Provençaal te bekennen. Maar goed: de kok komt uit Visan. Na drie dagen vertrekt onze zoon weer en hij komt half maart terug – dan is het truffelseizoen gelukkig bijna voorbij. Anders moet ik timmerman Julien vragen of zijn hond nog eens een truffel voor me kan vinden. Wijn krijg ik wel van Coco, geen Château Rayas, maar voor ons is het genoeg. We moeten tenslotte ooit nog zeven deuren betalen.
Lees hier eerdere columns van Christine Maack in deze serie:
Belgen. Chique Parijzenaren. En kou.

Nieuwsbrief
Klik op de link: https://encr.pw/UqXJO en abonneer je op de gratis nieuwsbrief van e-magazine Hans in the Provence. Dan weet je zeker dat je geen artikel over de Provence meer mist!
Heb je vrienden die het e-magazine Hans in the Provence ook leuk zouden vinden? Stuur dan de link naar ze door! Dat zou heel fijn zijn!



